RW: Peter, de autosportliefhebbers kennen jou via de journalistieke bijdragen die je levert. Maar vooral de jongere generatie weet niet dat je vroeger zelf ook aan de slag was als rijder. Hoe ben je in feite in de journalistiek terecht gekomen?
In '84, ik was toen reeds twee jaren getrouwd, ging ik met mijn schoonbroer naar een Racing Show in Gent en daar stond een Formule Vee te koop. Een ex-Luyendyck met een 110 pk-sterke VW Kever-motor. Hij kocht die wagen om zogezegd in de showroom van zijn garage te zetten, maar de volgende donderdag stonden we reeds in Zolder. Hij mocht van zijn vrouw niet instappen, dus moest ik me maar (met véél plezier) opofferen. Enerzijds werd dit voor mij een openbaring, maar anderzijds ook een fikse opdoffer.
Van afstellen hadden we geen kaas gegeten. We wisten amper hoeveel druk we in de banden moesten steken. Onderstuur en overstuur kregen we bijgevolg niet onder de knie. Ik remde te laat, ging te vroeg op het gas, waardoor ik telkens dwars de bocht uitkwam. De eerste wedstrijden in de Pro-Formula waren niet bepaald een succes en de rondetijden zal ik jullie onthouden. Ik ging dan maar aankloppen bij André Pilette om één en ander bij te sturen. Vanaf toen ging het crescendo, maar de Formule Vée was voorbijgestreefd en kon niet tippen aan de Super Vée's en de Formule Fords.
Ondertussen hadden we een VZW opgericht en in '85 kochten we dan maar een Formule Ford ex- André Van Hoof. Een wereld van verschil. Ik evolueerde in gunstige zin en kon de limieten gaan aftasten. Ik kon me steeds handhaven in de top5 en in de buurt blijven van Luc Pensis en Frank Coeckaerts (nu bij KTR). Maar we moesten telkens de duimen leggen tegenover de nieuwere Van Diemen-wagens van o.a. Schiff, Koentges, Bachelart, Huysman,.... Een tweede plaats was mijn beste resultaat en ik eindigde derde in het kampioenschap. In '86 deden we een extra inspanning door met een nieuwe motor een gooi naar de VAS-titel te doen. Ik werd alsmaar driester en schuwde het gevaar niet. Een salto met dubbele schroef aan de Rea-Bocht betekende dan ook meteen het einde van mijn korte carrière. Geld voor een nieuwe wagen was er niet.
Ik wou echter verder aktief blijven in de autosport en die beleven vanop de eerste rij en niet anoniem in de tribune. Van mechaniek had ik geen kaas gegeten, dus moest het maar op een andere manier. Ik wou teksten maken, maar uiteraard zat geen enkele magazine op mij te wachten. Ik schreef mijn eerste teksten voor Autospeed en voor het magazine van de VTB/VAB. Het was in '87 tijdens de 24 Uren van Francorchamps toen Koen Wyckmans me kwam vragen om de toenmalige Groep N, de voorloper van de Procar, te volgen voor Autokrant. En toen waren we vertrokken en zat ik op de goede trein..."
(Morgen, in deel 2, bekijkt Peter De Sonville de nationale autosport, door de bril van de ex-rijder.)

